Europees Sociaal Fonds

‘Activerend arbeidsmarktbeleid en Een leven lang leren’

Inleiding
Het Europees Sociaal Fonds (ESF) is het voornaamste financiële instrument voor de Europese Unie om de strategische doelstellingen op het terrein van het werkgelegenheidsbeleid in concrete acties om te zetten.

Enkele beleidsterreinen die voor het ESF centraal staan zijn:

  • Het stimuleren en verbeteren van scholing, opleiding en advisering in het kader van het beleid ter bevordering van een leven lang leren;
  • Het stimuleren van een ervaren, goed geschoolde en breed in te zetten beroepsbevolking, van vernieuwende en flexibele vormen van werkorganisatie en van ondernemerschap;

Subsidiemogelijkheden
Het ESF stelt op ruime schaal financiële middelen beschikbaar voor programma’s die zijn gericht op het verbeteren en behouden van de ‘employability’ (bredere inzetbaarheid) van de inwoners van de Europese Unie. Het gaat dan om zaken als het verwerven van een beroepskwalificatie die toereikend is om werk te vinden en aan het werk te blijven en het ontwikkelen van sociale vaardigheden die het zelfvertrouwen en aanpassingsvermogen op de arbeidsmarkt vergroten.

Momenteel heeft Nederland aanspraak op Europese subsidies voor onderwijs, opleiding en werkgelegenheid.

In het kader van van deze ESF-subsidieregeling komen in ieder geval de navolgende activiteiten voor subsidie in aanmerking:

  • scholing tot op startkwalificatieniveau (assistentenopleiding of basisopleiding in de zin van artikel 7.2.2. van de Wet educatie en beroepsonderwijs), inclusief het testen van deelnemers,
  • de ontwikkeling van testmethoden en scholingsprogramma’s, waar nog niet voorhanden, alsmede de training van personeelsfunctionarissen in het gebruik van die methoden, waarbij waar mogelijk wordt uitgegaan van de zogenaamde ‘EVC-methode’;
  • verdere scholing:
    1. tot op het niveau vakopleiding of middenkaderopleiding in de zin van artikel 7.2.2. van de Wet educatie en beroepsonderwijs, inclusief het testen van deelnemers, de ontwikkeling van testmethoden en scholingsprogramma’s, waar nog niet voorhanden, alsmede de training van personeelsfunctionarissen in het gebruik van die methoden, waarbij waar mogelijk wordt uitgegaan van de zgn. ‘EVC -methode’; of
    2. tot en met de HBO-opleidingen, opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
  • bedrijfstakoverstijgende scholing, gericht op mobiliteitsbevordering, waar organisaties uit twee of meer bedrijfstakken bij betrokken zijn;
  • cursussen Nederlandse taal;
  • activiteiten die een versterking van het personeelsbeleid binnen arbeidsorganisaties inhouden, zoals het ontwikkelen, vormgeven en uitvoeren van EVC-methoden, het opstellen van bedrijfsopleidingsplannen en van persoonlijke opleidings - of ontwikkelingsplannen, het adviseren met het oog op het verkrijgen van inzicht in de mogelijkheden van de loopbaan van de individuele werknemer, het opstellen van employability portfolio’s of EVC portfolio’s;
  • outplacement voor met werkloosheid bedreigden.

 

Wie kunnen subsidie aanvragen
In overleg met de sociale partners is bij de maatregel ‘scholing van werkenden’ gekozen voor de uitvoeringsstructuur zoals deze ook in de “Bijdrageregeling Bedrijfstakgewijze Scholing van Werklozen” (BBSW) wordt toegepast. Dit betekent dat in eerste instantie alleen de sectoren, die in voorgaande jaren BBSW projecten hebben uitgevoerd in de komende periode ESF aanvragen kunnen indienen voor de scholing van werkenden. In het algemeen hebben de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties per bedrijfstak een samenwerkingsverband opgericht om de BBSW uit te voeren. Dit samenwerkingsverband wordt representatief geacht voor die bedrijfstak. Sectoren of bedrijven die niet in deze situatie verkeren, kunnen volgens de BBSW systematiek aansluiting zoeken bij bestaande BBSW sectoren of eventueel zelf een samenwerkingsverband opzetten. Zo’n nieuw verband moet voldoen aan bepaalde voorwaarden, zoals onder andere representativiteit en participatie van werkgevers- en werknemersorganisaties.

Bedrijven kunnen vervolgens via het Scholingsfonds waaronder zij resorteren ESF subsidie aanvragen. In beginsel is in de subsidieregeling bepaald dat de kosten die 12 maanden of langer voor de datum van de subsidieverlening ten behoeve van het project zijn gemaakt, buiten beschouwing blijven.

Beoordelingscriteria
Bij dergelijke projecten wordt in elk geval beoordeeld of de aanvrager:

  • een deugdelijk systeem van beheer en controle heeft gehanteerd tot op het niveau van de projectuitvoering;
  • per project voldaan heeft aan de inhoudelijke en financiële eisen, waarbij wordt getoetst of deze eisen aansluiten bij de ESF 3 subsidieregeling voor de programmaperiode 2000-2006;
  • per project daadwerkelijk rekening heeft gehouden met ESF inkomsten en/of er een vordering op het ESF is geweest (een en ander zal moeten blijken uit de vastgestelde jaarrekening);
  • projecten niet op een andere wijze reeds integraal gefinancierd heeft;
  • per project door de accountant is verklaard, dat de terugwerkende kracht geen beletsel hoeft te vormen voor een goedkeurende accountantsverklaring bij de einddeclaratie, hoewel de accountant de voor het ESF relevante interne controle niet voortdurend heeft kunnen toetsen.

Subsidiehoogte
De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het maximumbedrag dat is vastgesteld in de beschikking tot subsidieverlening. Tot de subsidiabele kosten behoren, onder bepaalde voorwaarden, ook de loonkosten van de werknemer gedurende de tijd dat hij/zij daadwerkelijk deelneemt aan een training, cursus of opleiding.

De subsidieaanvraag
Bij de aanvraag van de subsidie voor een afzonderlijk project staat de beschrijving van de activiteiten die in het kader van een project worden ontplooid centraal. Een project wordt omschreven als ‘een samenhangend geheel van activiteiten’.

Zowel de informatie die moet worden verschaft over de deelnemers aan de activiteiten als de informatie over de begrote kosten van het project moeten rechtstreeks worden gerelateerd aan de onderscheiden activiteiten. Per project worden in ieder geval drie fasen onderscheiden:

  • de voorbereiding voor de aanvang van de activiteiten die gericht zijn op de deelnemers.
  • de projectfase omvat de periode dat de activiteiten voor de deelnemers plaatsvinden.
  • in de afrondende fase binnen drie maanden na afloop van het project moet de aanvragende instantie een eindrapportage indienen voorzien van een accountantsverklaring.

De aanvraag zal een projectbeschrijving moeten bevatten, waarin onder meer de aard van de projectactiviteiten, de doelgroepen, de looptijd en de uitvoeringsstructuur nader worden bepaald. Ook zal de beschrijving inzicht moeten bieden in de te realiseren prestaties, dan wel producten of diensten. Een uitgewerkte begroting en financieringsplan zal als onderbouwing moeten dienen.

Verdere informatie en ondersteuning
Verdere informatie vinden op de website van het agentschap van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) www.agentschapszw.nl en op de website van www.opleidingsadvies.com.

Onze zusterorganisatie Doceo bv kan u ondersteunen bij het opstellen van een projectplan, het indienen van een subsidieaanvraag en het inrichten van de administratieve organisatie ten behoeve van de te voeren projectadministratie. U kunt hiertoe contact opnemen met de heer J. Krol van Doceo bv die het beste te bereiken is via het e-mail adres j.krol@doceo.nl of via het telefoonnummer 06 -53 81 82 85.